|
Historie
In het Nederlandse kansspelbeleid wordt door de politiek en de verschillende overheden al heel lang gezocht naar een bepaald evenwicht. Aan de ene kant wordt onderkend dat ongelimiteerd gokken tot maatschappelijke en persoonlijke problemen kan leiden. Aan de andere kant realiseert de politiek en de overheid zich dat er in de maatschappij een behoefte bestaat om aan kansspelen deel te nemen en dat hieraan ook positieve kanten zitten. Zo kunnen fondsen worden verworven voor goede doelen door middel van het organiseren van kansspelen. Een gevolg hiervan is dat de houding van overheden ten opzichte van het gokken nooit volledig repressief is geweest, maar dat bij het bepalen van het kansspelbeleid altijd is gezocht naar een evenwicht tussen een repressieve en een meer liberale benadering.
Sinds de Tweede Wereldoorlog – maar ook al geruime tijd daarvoor – heeft de Nederlandse overheid geprobeerd om de menselijke speelzucht te kanaliseren door de verschillende kansspelen te reglementeren. Dit houdt in dat loterijen, prijsvragen, speelautomaten en later ook casino’s, onder bepaalde voorwaarden zijn toegestaan. De gestelde voorwaarden hebben over het algemeen betrekking op de wijze waarop de kansspelen worden georganiseerd en op de manier waarop met de opbrengsten wordt omgegaan. Dit doet de overheid onder andere door het verlenen van vergunningen, het houden van toezicht op vergunninghouders en het formuleren van voorwaarden en richtlijnen voor de legale kansspelen, alsmede het opsporen en vervolgen van aanbieders van illegale kansspelen.
De wettelijke basis voor het huidige kansspelbeleid wordt gevormd door de Wet op de kansspelen uit 1964.
Bron:
Het kanaliseren van de menselijke speelzucht. Een institutioneel onderzoek naar het handelen van de overheid met betrekking tot het beleidsterrein kansspelen (1945 – 2000), drs. L.P.A. Siepel, Den Haag 2002, PIVOT-rapport 130/www.overheid.nl
|